Elke nacht, als het huis sliep, klom Ada uit haar bed en ging bij het raam zitten. Ze keek niet naar de sterren, zoals andere kinderen. Ada zag in de lucht getallen die over elkaar buitelden en patronen vormden die niemand anders leek op te merken.
'Op een dag,' fluisterde ze tegen haar kat, 'bouwen we een machine die kan dénken in getallen. En dan schrijven jij en ik hem de mooiste opdrachten.' De kat geeuwde, maar Ada wist het zeker.
Ze pakte haar pen en begon te krabbelen, rij na rij. Buiten werd het langzaam licht, maar Ada merkte er niets van. In haar hoofd reed al een trein van getallen door een wereld die nog niemand had gebouwd — behalve zij, vannacht, op papier.